Home

Druppel

door Johan Polak & Frans Goddijn

Waar op de plecht, gekarteld uit het hout
het zwart verweerde, van de offerschaal
de wijn geplengd wordt en een purperregen
zijgt in de blauwte van het watervlak
bij priesterlijke lofspraak en gebeden,
opdat de zee, opdat de barre winden
genadig zijn en blank naar hartewensch,
daar kleurt de druppel uit den kelk gevloten
den Oceaan;

[J.H. Leopold]

De betreurde comparatist Dr. J. Kamerbeek heeft erop gewezen dat er overeenkomst bestaat tussen de eerste strofe van het gedicht 'Van wijn n druppel' (1910), geschreven door J.H. Leopold en het sonnet 'Le vin perdu' (1920) van Paul Valéry. De dichters, tijdgenoten, behoorden beiden tot de grootsten van de eerste helft van deze eeuw die met hen zo veelbelovend was begonnen en nu met laffe matheid dreigt af te lopen. Beide dichters ontleenden klassiek erfgoed van de stoicijnse wijsbegeerte, die voor zover het de Griekse verhandelingen betreft, uitsluitend in kleine fragmenten aan ons is overgeleverd. Kamerbeek liet zien dat Leopold en Valéry niet van precies hetzelfde Griekse origineel zijn uitgegaan. Bij Leopold ligt de nadruk op de inwerking van één druppel wijn op de wereldzeeën. De oceaan wordt tot in de verste uithoeken rood gekleurd.

J'ai, quelqe jour, dans l'Océan,
(Mais je ne sais plus sous quels cieux,
Jeté comme offrande au néant,
Tout un peu de vin précieux...

Qui voulut ta perte, " liqueur?
J'obéis peut-être au devin?
Peut-être au souci de mon coeur,
Songeant au sang, versant le vin?

Sa transparence accoutumée
Aprés une rose fumée
Reprit aussi pure la mer...

Perdu ce vin, ivres les ondes!...
J'ai vu bondir dans l'air amer
Les figures les plus profondes...

[Paul Valéry]

Valéry op zijn beurt verdiept zich in de wonderlijke configuraties die hij in de lucht ziet gespiegeld, nadat de zee haar helderheid heeft herwonnen, terwijl de golven dronken zijn geworden. Beide dichters blijken zich bewust van het magische in de handeling. Bij Leopold voltrekt een priester het ritueel van de wijnplenging, Valéry gehoorzaamt aan een voor hem onzichtbare ziener, maar vraagt zich af of hij niet eigenlijk een bloedoffer brengt. De vertaling van Paul Claes luidt:

Eens heb ik in de Oceaan
(Maar onder welke zonneschijn?)
Geplengd als offer aan de waan
Een weinig waardevolle wijn...

O vocht, wie wou uw ondergang?
Een ziener die het mij gebood?
Ofwel een onderhuidse drang,
Die bloed beleed en wijn vergoot?

Zijn onveranderlijke leven
Nam na een roze rookwalm even
Doorschijnend weer het water aan...

Verspilde wijn, bedronken baren!...
Ik zag in 't zilte zwerk ontstaan
Gestalten zonder evenaren...

Er is een derde, groot, druppelgedicht geschreven door Ida Gerhardt, ooit toegewijde leerlinge van J. H. Leopold, als dichteres zijn voetsporen drukkend en stellig bekend met Valéry's vers. Het is haar gelukt een synthese tussen beide gedichten tot stand te brengen. De geofferde en de gespilde wijn worden tot de inkt van het herwonnen meesterschap. De 'writer's block' is opgeheven. De inktdruppel kleurt nu niet alleen het water blauw maar leidt bovendien tot een duidelijke en overtuigende configuratie: het moederbeeld. Eerst werd dit in het werk van Ida Gerhardt steeds terugkerende beeld omgeven en bezwaard door bitterheid (Wat staat gij naast mijn bed, Moeder van gene zijde?/ Wat doet gij in mijn kamer in de zwarte nacht? / Kan mijn bestaan zich nooit van uw bestaan bevrijden, / dat gij mijn slaap nog met uw heimelijkheid bevracht? [Tristis Imago]). Nu, geïnspireerd en uitgedaagd wellicht door Leopold en Valéry, is het moederbeeld ontdaan van elke zweem van bitterheid:

Mijn pen, te lang terzij gelegd,
terzij, gelijk ik zelf wou zijn,
had taal en teken mij ontzegd
en gaf, vol stolselen, geen begin.
Ik doopte hem in water in.
En in de schaal met water zonk
de droppel, het ultramarijn,
en heeft zich zwevende verdeeld.

En uit het nevelend blauw ontstond
een langzaam losgewonden beeld,
de eindelijke, de moeder mijn,
lieflijk van ogen en van mond.
Hoe zacht en ernstig zag mij aan
wier kind, wier blijdschap ik mocht zijn,
nieuw en van donkerte ontdaan.
- En wenkte nog en was vergaan.

[In Nevelen]