Home

Dream

door Johan Polak & Frans Goddijn
"Hij is niet dood," luidt de slotzin van A.F.Th. van der Heijden's boekenweeknovelle 'Weerborstels'. Vier simpele woorden - de zin ervóór telt vierenveertig.

De opa van mijn kinderen is vorige maand overleden. Een opa om bij op schoot te zitten. Hij kende zoveel versjes en zong deze geduldig met zijn bromstem. De kleintjes merkten niet hoe zich hij de afgelopen tijd meer en meer op zichzelf zich had teruggetrokken, zijn krachten sparend voor het laatste karwei aan zijn knusse woning - als timmerman kon hij het niet laten nissen en serres te maken in zijn huis, dat door alle uitbreidingen veel meer deuren dan ramen had gekregen. Tijdens zijn laatste nacht stond hij op, voorzichtig om zijn vrouw niet wakker te maken, liep naar de keuken, stak een lampje aan, schonk zich een glas wijn in en sneed een paar stukjes kaas af. De wijn en de kaas liet hij even staan op de keukentafel. Hij liep de woonkamer in, zette zich in zijn leunstoel en stierf.

Voorafgaand aan de begrafenis gingen we naar de plaats waar opa lag opgebaard. Een statig gebouw tegenover het gemeentehuis van de kleine museumstad. Een sombere reus deed de zware deur open en leidde ons naar de eenvoudige ruimte, achter een gordijn, met grootvaders kist. Ook de kinderen hebben hem, bleek als was, gezien. Zijn gezicht niet somber, slechts ernstig, de ogen gesloten achter zijn brillelazen. De kinderen werden erg verdrietig, beseften eerst nu: 'hij is dood'. Ze stonden een uur later op de begraafplaats vooraan toen de kist zakte, snel en geluidloos dankzij een half-verborgen liftmechanisme. Daarna genoten ze toch net als de anderen van de familiebijeenkomst waar bijna iedereen als vanouds tezamen was. Na hun plakje cake te hebben verorberd, speelden de kinderen buiten met elkaar in de voorjaarszon, rond de kleine herenhuizen die, naarmate ze dichter bij het gemeentehuis staan, steeds groter worden. Het gemeentehuis zelf is het grootst en oogt op zijn beurt als een paleis - in miniatuur.

Peace, peace! he is not dead, he doth not sleep-
He hath awakened from the dream of life-
'T is we, who lost in stormy visions, keep
With phantoms an unprofitable strife,
And in mad trance, strike with our spirit's knife
Invulnerable nothings.- We decay
Like corpses in a charnel; fear and grief
Convulse us and consume us day by day,
And cold hopes swarm like worms within our living clay.

[ Percy Bysshe Shelley - 'Adonais: an elegy on the death of John Keats' 1821 ]

De eerste versregel volgend op dit couplet uit 'Adonais' - "He has outsoared the shadow of our night" - wordt aangehaald door de dichteres Vasalis in haar tweede bundel 'De vogel Phoenix'. Deze verzameling verzen staat in het teken van de dood van Dicky, die leefde van 16 april 1942 tot 10 oktober 1943. Heeft zij Dicky gestalte gegeven in haar gedicht 'Kind'?

Er was een lichte warmte boven zijn gezicht,
als van de aarde 's avonds, als de zon verdween.
En als de wind in een gordijn, ging licht
zijn adem in en uit zijn lippen heen...

Hij was het leven, zichtbaar bijna zonder schaal
en niets dan leven, tot de rand geschonken
en zonder smet of schaduw neergezonken
en opgestegen in de broze bokaal.

Hoe wijd was nog de doorgang tot het leven
en hoe toeganklijk voor zijn eb en vloed...
Hoe licht en stil en schoon is met de dood
hij op het lege strand alleen gebleven.

[Vasalis]