Home

Cranes

door Johan Polak & Frans Goddijn
David Leavitt
DE VERLOREN TAAL DER KRANEN
vert. Rien Verhoef.
DE HARMONIE, 1987, 393 blz.

Met de verloren taal der kranen wordt niet gedoeld op het verlies van de zang der kraanvogels, maar op de taal van een verwaarloosd kind, onwettig geboren uit een achterlijke tiener, misschien als gevolg van een verkrachting. De moeder is niet in staat haar kind te voeden en schoon te houden. Wanneer met behulp van politie en een maatschappelijk werker het onverwacht gelukkige kind in een inrichting wordt opgenomen, blijkt dat de jongen om zich te uiten slechts over een taal beschikt: de nabootsing van geluiden en bewegingen van de hijskranen en bouwwerktuigen welke hij vanuit zijn bedje door het raam heeft waargenomen, en die hij zich heeft eigen gemaakt. Met de dood van het kind, op wat latere leeftijd, gaat ook "de taal der kranen" verloren.

Dit verhaaltje, als onopvallend hoofdstuk verborgen midden in het tweede boek van David Leavitt symboliseert misschien de gevoelsarmoede, waar alle mensen die in de roman voorkomen, en velen daar buiten, onder gebukt gaan. Het meisje Jerene, bezig met een proefschrift over ongewone en verdwenen talen, verliest het contact met haar pleegouders op het ogenblik dat zij hun heeft gezegd lesbisch te zijn en als zodanig te willen leven. Eenmaal nog ziet zij op straat haar pleegmoeder, van wie ze veel is blijven houden en die ze hevig mist, maar voor Jerene de stap heeft kunnen zetten om op haar moeder toe te lopen en haar te omhelzen, is de oudere vrouw in het gewoel van de menigte zoek geraakt. Het is niet toevallig dat dit meisje, wanneer zij in een vlaag van moedeloosheid het schrijven aan haar proefschrift heeft opgegeven, de homo-telefoonlijn gaat bedienen, om mensen in nood bij te staan. Juist dan zoekt de vader van de hoofdpersoon uit de roman haar hulp.

Deze vader is gehuwd, heeft een volwassen zoon, maar bezoekt op zondagmiddagen een pornobioskoop, om daar door onanie of een enkel anoniem contact, zijn seksuele verlangens te bevredigen. Zijn zoon Philip, die zich van jongs af aan van zijn eigen homosexualiteit bewust is geweest, brengt de volledige ontwrichting van de band tussen zijn beide ouders teweeg, zodra hij hun vertelt over zijn gevoelens. De moeder die, door te zwijgen over haar vermoedens, en ook over haar eigen buitenechtelijke relaties, tracht het gezin bijeen te houden, vindt dat er dingen zijn die je niet hoeft te bespreken. Philip, die zich had voorgenomen te bewijzen hoe gelukkig ook hij in een vaste relatie zou kunnen zijn, en plannen had om zijn aanbeden vriend Eliot bij zijn ouders te introduceren, heeft Eliot al verloren voor het zover kan komen.

Desolaat zwerft hij 's nachts door New York, niet in staat, onder indruk van het verlies van zijn vriend, zich opnieuw te binden. Uitgerekend nu, nu hij zijn ouders zo dringend nodig heeft, zegt hij dingen die zij niet willen verstaan. Tenslotte opent de vader van Philip, Owen Benjamin, zijn hart voor zijn zoon. Opeens vindt hij de taal wel, om zich in uit te spreken, maar Philip kan zijn vader niet meer nader komen, kan hem niet de liefde geven die Owen zozeer behoeft.

Zonder een sociaal-filosofische beschouwing in zijn roman te vervlechten, zoals Saul Bellow gewoon is te doen, schetst David Leavitt in wezen hulpeloze mensen, in een maatschappij die bol staat van de nieuwste communicatiemiddelen, maar die het belangrijkste niet met elkaar uit kunnen wisselen... Het milde verdriet dat een roman van Saul Bellow doorgaans omgeeft, ontbreekt in het werk van David Leavitt. Deze, zijn eerste roman, is levendig vertaald door de Nijhoff-prijswinnaar Rien Verhoef.

Bij het lezen van het boek word je voortdurend herinnerd aan Leavitts prachtige debuut FAMILIEDANS, de bundeling van een aantal verhalen. Ook daar die vlijmscherpe observatie, de doorzichtige tekening der personen: de over-begripvolle moeder die het toch niet kan velen wanneer ze haar zoon in de tuin vrijend aantreft ("er zijn grenzen aan hetgeen ik verdragen kan"), de vrouw die nog eenmaal binnen haar gezin haar gescheiden man ontvangt, hem niet kan missen, hem niet wil missen, waardoor de vakantie in een buitenhuis op een mislukking uitloopt, het jongste kind van een door kanker ten dode opgeschreven moeder, dat niet volwassen wordt en altijd huilt. Dit alles is in de roman nog scherper aangezet. Leavitt blijkt in staat te zijn met de taal precies te doen wat hij wil, uiteraard zonder nu al te beschikken over de magie van een Vladimir Nabokov.

De briljante, maar koele observatie schept een wereld waar David Leavitt zelf soms te uitdrukkelijk afstand van neemt. In zoverre is hij door zijn jeugdig vakmanschap voorlopig nog de mindere van Bellow en Nabokov. Maar hij heeft de tijd.