Home

Cecile

door Johan Polak & Frans Goddijn
"Op mijn zeventiende werd ik naar Londen gestuurd, naar twee oude, deftige dames, aunt Ethel en aunt Agnes. Zij waren van heel goeie familie, maar ze hadden niet zoveel geld meer, dus namen ze meisjes van goede families in huis om ze een beetje te polijsten, 'finishing off', zoals het heette. Na een half jaar in Londen ben ik borduren gaan studeren aan de Royal School of Needlework. De hele familie stond op zijn kop. Ze vonden het een belachelijk gedoe. Ik moest naar huis komen en een briljant huwelijk doen". Zo vertelde onlangs Cecile Dreesman aan een reporter, die zijn grote lezerspubliek aldus voorrekende dat geld niet gelukkig maakt. De verfilming van Couperus' Eline Vere is alweer bijna vergeten, het boek van de psychiater die het recentelijk waagde de romanfiguur van Couperus te analyseren heeft niet bijster veel aandacht gekregen, maar het ongeluk van meisjes uit de betere kringen bleef onveranderd, zo lijkt het. Hun tragische lot, waarvan velen smullen - lees er het smakelijke boek over Christina Onassis maar op na - houdt misschien verband met het in deze eeuw van veel kanten belichte bestaan van een "leisure class". Dochters, geboren met een gouden lepel in de mond, voorbestemd om niets anders te doen dan te wachten op een man: een ridder die haar zal verlossen uit de knellende banden van het ouderlijk huis, om haar vervolgens des te knellender te binden in hun eigen domestieke desillusies. Wat bleef er anders over? Zo een meisje was vroeger niet eens gehouden de middelbare school af te lopen, terwijl de universiteit nog nauwelijks voor vrouwen was ontsloten. Des te meer bewondering verdienen Marie Curie, Cornelia de Lange en Aletta Jacobs, die de knellende banden van het gezin niet alleen hebben geslaakt, maar ook gingen studeren en hun onafhankelijkheid wisten te behouden. Kwam in de vorige eeuw en het begin van deze geen minnaar opdagen, dan was de rijkeluisdochter gedoemd te verwelken of te worden geduld in de familiekring als oppas en verzorgster. Zo werd zulk een vergetene allengs veronachtzaamd, zij ging deel uitmaken van het huismeubilair, verstofte en stierf, doorgaans vrijwel onopgemerkt. Rainer Maria Rilke heeft dit vrouwenlot misschien voor altijd vastgelegd in "Frauenschicksal". De laatste regels zijn schier onvertaalbaar: "und wurde einfach alt und wurde blind / und war nicht kostbar und war niemals selten".

Zoals een vorst op jacht een glas aanvat,
omdat hij dorst heeft, 't geeft niet wat voor glas,-
zoals daarna degeen die het bezat
het wegbergt of het heel iets anders was:

zo heeft het lot misschien wel eens een vrouw
naar zijn dorstige mond gebracht, maar haar
klein leven heeft haar toen, uit angst om haar
te breken, veilig weggezet, daar waar

niemand haar kon beroeren, in de bange
vitrine waar zijn kostbaarheden staan
(of wat voor kostbaarheden door moet gaan).

Daar stond ze, vreemd als was ze van een ander,
tot ze eenvoudig oud en blind werd, maar
kostbaar of zeldzaam was er niets aan haar.

[vert. Peter Verstegen]