Home

Brief

door Johan Polak & Frans Goddijn
Lang voor onze jaartelling blijkt de brief al van betekenis. Een vooraziatische vorstin, pas weduwe geworden, schrijft de farao van Egypte dat zij wil hertrouwen, maar niet met iemand uit haar hofhouding. Haar verlangen gaat uit naar een prins aan het Egyptische hof. Meer staat er niet in haar op een kleitablet geschreven brief. De afloop van het verhaal kennen wij evenmin... heeft zij haar prins gekregen? Is haar huwelijk kinderrijk en gelukkig geworden?

In de zesde eeuw voor Chr. leefde in Agrigentum een bouwheer, Phalaris genaamd. Hij zag kans zich meester te maken van de macht in de stad, doordat hij de mannen met wie hij werkte aan de bouw van een tempel heimelijk had bewapend. Het is verleidelijk wat te fantaseren en ons af te vragen of hij bouwde aan de beroemde Zeus-tempel, die zo groot was opgezet dat Zeus zelf eens liet vragen of hij ooit af zou komen. Van Plato wordt verteld dat hij de mensen in Agrigentum als volgt typeerde: "zij bouwen alsof zij het eeuwige leven hebben en zij eten alsof zij morgen zullen sterven". Kennelijk was toen, twee eeuwen later, de tempel náág niet voltooid! Phalaris moet een briefschrijver zijn geweest. Ook hield hij van martelwerktuigen. Een technisch bekwaam onderdaan bood hem een bronzen stier ten geschenke. Onder de stier bevond zich een vuurplaats, binnenin kon een mens worden opgesloten. Het gekerm van het slachtoffer zou door de bronzen akoestiek klinken als geloei. De tiran beval de ontwerper onmiddellijk plaats te nemen in zijn schepping. Brieven op naam van de wreedaard zijn overgeleverd en in de renaissance te voorschijn gekomen. Deze beleefden verschillende uitgaven, toen ook minder belangrijke documenten uit de oudheid konden rekenen op grote belangstelling en ontzag. Aan het einde van de zeventiende eeuw zou een nieuwe uitgave verschijnen. Die is uitgebleven, want de Engelse klassicus Richard Bentley toonde tijdig aan dat deze brieven geen authentiek document vormden uit de zesde eeuw voor Chr., maar een vervalsing uit de tweede eeuw na Chr., handig in elkaar geflanst door een sofist.

"Sofist" was in de vijfde en een deel van de vierde eeuw voor onze jaartelling de titel van mannen die, vooral in Athene, optraden als leraar in wijsheid. Sommigen zijn bekend geworden doordat Plato in zijn dialogen vaak Socrates, al discussië&rend, met een of meerdere van hen laat optreden. Er is wel met verachting over de sofisten gesproken en zelfs in de twintigste eeuw hebben zij hun bestrijders gevonden. Misschien ten onrechte. Zij zijn immers de eersten geweest die de Atheense burger aan het denken hebben gezet over de vraagstukken van recht en wet, het recht van de sterkste, de behandeling van vijanden en de mate van eerlijkheid die van een politicus verlangd kan worden, nog steeds actuele onderwerpen. Als bezwaar werd toen al gevoeld dat zij zich lieten betalen voor hun lessen, in tegenstelling tot Socrates, hun tijdgenoot en tegenstander. Hoogstwaarschijnlijk werd de overdracht van kennis als een "gentle occupation" beschouwd. Aan het einde van de vierde eeuw wordt over hen niets meer vernomen, maar in de tweede eeuw na Chr., wanneer de studie van wijsbergeerte en van ook toen reeds als antiek beschouwde literatuur met hernieuwde geestdrift wordt opgevat, staan er wijsheidsleraren op, doorgaans opgenomen in het gevolg van hoge Romeinse gezagsdragers. Zij brachten deze ambtenaren kennis van het Grieks bij en lazen met hen dramatische en wijsgerige geschriften uit Athene's bloeitijd. Dit tijdvak wordt aangeduid als "de tweede sofistiek". Vermoedelijk heeft de nieuw-griekse dichter Kavafis zijn beroemde gedicht over de Proconsul in die tijd geplaatst. Een sofist leest Sofocles met zijn Proconsul. Bij een van de versregels is de Proconsul zo onder de indruk, dat hij die dag niet verder wenst te lezen. Het gaat om een regel uit AIAX, waarin de held, vlak voor zijn zelfmoord verongelijkt uitroept: "en het overige vertel ik wel aan de mensen in de Hades daar beneden".

De Proconsul slaakt de verzuchting hoe anders de mensen daar zullen zijn en hoe zij open en eerlijk zullen spreken over alles wat zij in hun leven op aarde angstvallig verborgen hebben gehouden. Met een glimlach antwoordt de sofist: "áls ze daar nog over zoiets spreken, áls hun dat nog iets uitmaakt".

De tweede eeuw kende een rage voor oude documenten. Zogenaamd authentieke Vergilius-handschriften deden de ronde en steeds nieuwe ontdekkingen kwamen boven water, natuurlijk ook vervalsingen. Aan die activiteit danken wij niettemin dat eersterangs teksten de oudheid hebben overleefd en soms door één kopie, langs de kronkelige weg van de middeleeuwen, de boekdruk hebben gehaald.

Volkomen anders is het gesteld met de dertien brieven die ons op naam van Plato zijn overgeleverd. De meeste daarvan zijn misschien onecht, maar de zevende, als authentiek beschouwd, verstrekt ons belangrijke inlichtingen over de stad Syracuse waarmee Plato nauw verbonden is geweest. Hij hoopte daar immers zijn ideaalstaat te verwerkelijken. Zonder succes. De eerste keer werd hij op een schip gezet dat in Aegina, een aan Athene vijandig stadje, aan land ging. Daar werd hij, een Atheense vijand, als slaaf verkocht, maar meteen daarop door een bewonderaar vrijgekocht. Alles leek een gunstige wending te nemen toen Dionysius I, de tiran van Syracuse, stierf en werd opgevolgd door zijn zwakke zoon die van de troon werd gestoten door Dion, minister, wijsgeer en hartsvriend van Plato. De ideaalstaat leek nu de verwezenlijking nabij. Dion werd echter vermoord en het gerucht ging dat Plato op een of andere wijze daarbij betrokken was geweest.

De zevende brief, gericht tot verwanten van Dion, heeft iets weg van een verdedigingsrede. Ook valt het op dat Plato, misschien bewust, bijzonderheden ongenoemd laat, die door latere historici wel naar voren zijn gebracht. Toch zouden wij zonder deze brief minder goed zijn ingelicht over de ingewikkelde politieke situatie van Syracuse.Van de grote redenaar en staatsman Marcus Tullius Cicero zijn veel brieven bewaard gebleven, welke na zijn dood, bijna zeker met vijandige bedoelingen, werden gepubliceerd. Cicero komt daarin naar voren als een weifelende en soms wat kleine man.

Zo'n ontluisterend beeld is overigens van alle tijden. Toen Wim Kans dagboeken openbaar werden gemaakt door zijn vertrouweling Frans Rühl, waren bewonderaars en vrienden ontzet. Was dat de grote, rustig vertellende, van zijn publiek en zijn lachers verzekerde cabaretier? Tijdgenoten die Cicero in zijn redevoeringen als achtenswaardige mannen had uitgebeeld, heeft hij blijkens zijn brieven niet zo erg hoog geschat. Pompeius Magnus, de beroemde Generaal die de legioenen waarmee hij Caesar, zijn tegenspeler, moest verslaan, uit de grond zou stampen, komt in Cicero's brieven eerder als zwakkeling naar voren. Iets daarvan wordt bevestigd door de karakteristieke portretkop van hem, sieraad van de antieke beeldengalerij in de Kopenhaagse Glyptotheek.

Ook in de middeleeuwen vormt de brief een belangrijke vorm van communicatie en zodra de boekdrukkunst is uitgevonden, zien de eerste gedrukte briefverzamelingen het licht. Erasmus, gedreven briefschrijver, werd al tijdens zijn leven druk verzameld en uitgegeven. Toen was de brief meer dan een bericht van een mens aan de ander. Een brief van Erasmus had het karakter van een bulletin en was bestemd voor meerderen tegelijk. Wat betekende in de jaren dat Erasmus een Europese vermaardheid was geworden een geleerde die niet een brief van Erasmus kon tonen? In de daarop volgende eeuwen voerden geleerden over heel Europa een drukke correspondentie. In de zeventiende eeuw is een grote collectie van zulke brieven al eens verzameld en uitgegeven.

Wanneer je zo'n verzameling doorkijkt, sta je verbijsterd hoe grof deze knappe mensen hun collega's in het Latijn hebben uitgescholden en hoezeer zij zichzelf soms hebben overschat. Scaliger laat in een brief weten dat het hem nooit beter dan juist op deze dag is gelukt een Griekse of Latijnse tekst te verbeteren. Wanneer dit met zo'n ophef wordt geschreven, moet gevreesd worden dat die verbetering een dwaasheid is geweest. Losjesweg, zonder enig vertoon, ziet hij daarentegen kans door kleine ingrepen, in de overlevering bedorven teksten zo prachtig te herstellen, dat een onbegrijpelijke reeks woorden op slag verandert in een fonkelend vers. Scaliger was mischien een afstammeling van een van de voorname Italiaanse familie Della Scala, reeds beroemd in de tijd van Dante, die als banneling verblijvende in een van hun kastelen, ervoer: "hoe zout het brood der balling smaakt, hoe bitter het is de trappen van een ander op en af te gaan".

In 1590 werd Scaliger benoemd tot hoogleraar aan de pas gestichte Leidse Universiteit. Hij bracht orde in de antieke tijdrekening en verzorgde een uitgave met uitvoerig commentaar van een sterrekundig leerdicht van Manilius. Kunst en wetenschap, astronomie en astrologie lagen toen dicht bij elkaar. Na eeuwen is de briefwisseling individueler geworden. Al wordt er gezegd dat er geen brieven meer rondgaan ten gevolge van de telefoon, het tegendeel is het geval. Nog altijd worden brieven geschreven, misschien zelfs meer dan vroeger. Het lijkt alsof de postbode louter bankstukken, nota's en memo's voor het zakenleven bezorgt, maar in feite zijn zelfs dát brieven. De talloze beleidsnota's die circuleren bij de overheidsinstanties en de managers, vormen krampachtige pogingen om met vrijwel betekenisloze woorden boodschappen over te brengen. TV10, de miljoenenonderneming van Joop van den Ende, is te gronde gericht
als gevolg van één brief, "straight from the heart" geschreven aan de minister, die het niet kon laten dit persoonlijk schrijven als een prooi voor te leggen aan zijn rancuneuze juristen op het departement.

Waarom is een brief zo fascinerend? Ook zonder handschriftkundige te zijn, herken je in een brief de persoon van de schrijver. Brieven, geschreven in verschillende kleuren inkt, of getypt in rood en zwart, moeten bij de ontvanger een oranje waarschuwingslicht doen branden. Is deze schrijver labiel? Brieven met een mooi en karakteristiek schriftbeeld, zoals geschreven door Conrad Busken Huet, J.H. Leopold en Johan Huizinga, of van Ida Gerhardt en Hugo Claus, bezitten de kracht om je in contact te brengen met de creatieve geest van de auteur. Behalve de erkenning van hun spirituele betekenis hebben bijzondere brieven aanzienlijke materiële waarde gekregen. Wat vroeger uit liefde bewaard werd, haalt nu op veilingen hoge prijzen.

Kennelijk brengt in de tijd van massacommunicatie de individuele brief een schok van ontroering teweeg zoals het televisiebeeld dat niet kan. World Press Photo toont elk jaar meer onbeschaamd de werkelijkheid, maar de prijsuitreiking verleent de gruwelen dragelijke proporties. De brief waarin de ene mens zich tot de ander uitspreekt, blijft en ontroert zonder dat er iets van buiten aan te pas hoeft te komen, juist door hetgeen zorgvuldig verzwegen of maar vluchtig aangeduid wordt in de hartelijke groet waarmee hij wordt afgesloten.

Hoe verschrikkelijk niet alleen het effect kan zijn van een brief die binnenkomt, maar ook van een brief die uitblijft, is onvergetelijk onder woorden gebracht door Vasalis:

Ik ben voor bijna alles bang geweest:
voor 't donker, voor figuren op 't kleed,
voor stilte, voor de schorre kreet
van de avondlijke venter, voor een feest,
voor kijken in de tram en voor mezelf.
Dat zijn nu angsten, die ik wel vetrouw.
Er is één ding gekomen, dat ik boven alles vrees
en dat mij kan vernietigen; dat ik bedelf
onder een vracht van rede, tot het wederkeert:
dat is het nuchtere gezicht van mijn mevrouw
wanneer zij 's morgens in de kamer treedt
samen met het ontluisterd licht en dat ik weet
wat ze zal zeggen: nog geen brief, juffrouw.