Home

Boutens

door Johan Polak & Frans Goddijn
Toen we elkaar nog zelden zagen, maakten we een treinreis naar Emmen, waar Johan een lezing zou houden. We spraken veel met elkaar, in de trein, voor en na de lezing, en bij de thee in het hotel. Ik ontdekte dat Johan een encyclopedisch geheugen heeft, en kon niet stoppen met het afvuren van de meest uiteenlopende vragen, die ik mijn vader nooit heb kunnen stellen. Johan van zijn kant genoot van zijn leerling, misschien zoals een vader wiens zoon eindelijk alles van voetballen wil weten, daarmee een bron aanborend waaruit ze jarenlang kunnen putten. 's Nachts, toen we wakker lagen, declameerde Johan gedichten. Een kwart eeuw tevoren had mijn moeder de laatste kinderversjes aan mijn bed gezongen, en nu klonk in het donker Johan's sonore stem met onbegrijpelijke verzen. Regel voor regel legde hij ze uit, en droeg ze nog eens uit het hoofd voor. Ik kon er niet genoeg van krijgen, en toen het licht werd, waren we slaapdronken. Johan deed op de rand van zijn bed de gymnastische oefeningen waartoe een fysiotherapeut hem had veroordeeld, en op mijn verzoek declameerde hij opnieuw de verzen, waarvan me flarden bijgebleven waren uit de nacht. Ik zat als betoverd op mijn hoofdkussen, terwijl Johan de regels herhaalde: "dan voel ik hoe ik nimmer halen zal de simpele aanslag van die heemse toon," of "van hun lippen valt een hees gefluister, een taal waarin geen schepsel zingen kan." Nu nog, bij het bespreken van het gedicht dat we hieronder afdrukken, denk ik dat ik toen, 's nachts, dichter bij de betekenis ervan ben geraakt dan ik door schriftelijke studie ooit kan kunnen komen.

Een verzenbundel van P.C. Boutens is meer dan vijftig jaar omgeven geweest door een waas van geheimzinnigheid. Boutens publiceerde in 1919 STROFEN UIT DE NALATENSCHAP VAN ANDRIES DE HOGHE. Het verhaal begint bij een leerling. A.J.A. baron van Herzeele kreeg op de kostschool Noorthey in Voorschoten een bijzondere leraar klassieke talen: de dichter P.C. Boutens. De jonge baron, erfgenaam van een groot fortuin, had grote bewondering voor zijn leermeester en voelde het als zijn roeping, als zijn opdracht van de Voorzienigheid, om voor Boutens te zorgen. Hij kocht voor Boutens een huis in Den Haag. Omdat Van Herzeele, als homosexueel, op gespannen voet leefde met de heersende zedelijkheidsmoraal, woonde hijzelf meestal in Parijs, maar Boutens hield in het huis een kamer vrij waarin alleen Van Herzeele mocht binnentreden.

Zolang hij kon, was Van Herzeele 'n beschermheer van Boutens. In de jaren dertig, toen zijn fortuin verloren ging, kwam aan de vriendschap een einde. Anton van Herzeele ontmoette vele jaren later, na de tweede wereldoorlog, de vrouw die uiteindelijk gezorgd heeft dat het mysterie rond de STROFEN is opgelost: mevrouwaC.C.V. van Lier-Schmidt Ernsthausen. Hoogbejaard is zij in dit decennium overleden. Mevrouw van Lier was een hoogintelligente zonderling, die iedereen met brieven bestookte die maar in de verste verte te maken had gehad met P.C. Boutens. Baron van Herzeele gaf haar de belangrijkste informatie, en haar archief, met daarin ook kopieën van haar lange persoonlijke brieven die vaak honderden pagina's besloegen, heeft zij na haar dood opengesteld voor Prof. Blok en voor een van ons.

In 1908 verbleef Van Herzeele af en toe in Den Haag bij Boutens, die toen een moeilijke periode van zijn leven doormaakte: financieel had hij grote zorgen, en nieuwe plannen voor literaire activiteiten kwamen niet tot verwezenlijking. Boutens was, zo vertelt Van Herzeele, in een uitermate korzelige stemming, boos ook, omdat een student uit Delft, onder de indruk van onlangs gepubliceerde verzen van Boutens, het gewaagd had hem gedichten ter beoordeling te zenden. Onhandig had de jongen geschreven dat hij zijn betere verzen niet had ingesloten. Boutens stuurde de gedichten per kerende post terug, omdat hij geen zin had verzen te lezen die de auteur zelf al had afgekeurd. Toen Van Herzeele Boutens enige weken later opnieuw bezocht, hoopte hij Boutens in een wat opgewekter stemming aan te treffen, maar Boutens bleek meer terneergeslagen dan tevoren. Tenslotte bracht hij de woorden uit: "Die jongen Van Drooge is verleden week overleden... suïcide - in Brussel." Nauwelijks hoorbaar fluisterde hij: "Ik ben zijn moordenaar." De jongen, wiens verzen Boutens per kerende post had teruggestuurd, heette Jan Samuel van Drooge. Boutens voelde zich schuldig aan zijn dood, daar hij in deze vertwijfelde jongen de Christus niet had herkend, gedachtig Mattheus 25:45 "voorwaar zeg Ik u, voor zoveel gij dit een van deze minsten niet gedaan hebt, zo hebt gij het mij ook niet gedaan." Voor Boutens was hiermee onherroepelijk de mogelijkheid afgesneden de jongen, die zijn hulp had gezocht, ook daadwerkelijk te helpen.

Intuïtief voelde Boutens aan welke gedichten de brief van de ongelukkige jongen hadden uitgelokt. "Deze zullen 't hem gedaan hebben", waren Boutens' woorden. Hij doelde hiermee op een bundel in wording, GEDICHTEN DER JONGEREN, waarvan twee verzen in een tijdschrift waren gepubliceerd. De verzen gaan over een lijdende vreemdeling, die onbegrepen in de menigte staat, en weer verdwijnt voor hij herkend is. Nu werd hem ook duidelijk wat de werkelijke reden kon zijn voor de jongen om te verwijzen naar een aantal gedichten, die hij nog niet durfde te laten zien. De wanhopige jongen had gehoopt dat Boutens, als laatste, zijn toon zou herkennen en hem vragen naar zijn andere, openhartiger verzen. Boutens kon de GEDICHTEN DER JONGEREN niet meer voltooien. In plaats daarvan nam hij zich voor een reeks verzen te schrijven die hij wilde publiceren als gedichten van een zekere jong overleden Andries de Hoghe. Deze bundel zou een grafschrift moeten zijn voor Jan Samuel van Drooge. Boutens koos een naam die naar klank en ritme sterke gelijkenis had met die van de overleden student. Waarschijnlijk deden ook de initialen van zijn jonge beschermer, Anton van Herzeele in het spel van klanken mee. Drie mensen in een zelfgewild mysterie betrokken: de dode Jan Samuel van Drooge, de helper Anton baron van Herzeele, en de maker Dr. P.C. Boutens.

Wat heeft hem bewogen om tot zijn dood toe te ontkennen dat hij zelf de auteur is geweest van deze verzen, welke gerekend moeten worden tot de mooiste die in het Nederlands geschreven zijn?

Ten eerste was Boutens ervan overtuigd dat hij een schuld te delgen had. De kortstondige ontmoeting met Jan Samuel van Drooge, miskend en afgewezen, zoals eens de Emmausgangers de verrezen Christus niet herkenden en weer van zich lieten weggaan nadat hij met hen het brood gebroken had, die ontmoeting zal de gelovige Christen Boutens hevig hebben aangegrepen. Zijn schuld probeerde hij te voldoen door zijn beste werk te publiceren onder een andere naam. Een pseudonym was niet genoeg: Andries de Hoghe was meer dan dat. Zelfs met de eerste publicatie van de STROFEN in 1919 bleek de schuld niet afgedaan. In 1932 liet Boutens een heruitgave van de STROFEN verschijnen, nu aangevuld met elf ANDERE VERZEN. Toen pas kon Boutens berusten, en verdween het motief Andries De Hoghe uit zijn werk, maar nooit heeft Boutens toegegeven dat deze verzen van hemzelf waren. Een kwart eeuw boete doen, en zelfs daarna deze geesteskinderen niet erkennen, geen geringe vergelding!

Er was nog een tweede reden voor verheimelijking: de ingewijde lezer moet bij de eerste lezing van de STROFEN begrepen hebben dat hij hier te maken had met poë&zie van een dichter met een, zoals dat toen heette, afwijkende sexuele geaardheid. In een aantal gevallen is gebleken dat de lezers inderdaad begrepen hebben dat het hier gaat om homosexuele poáázie, zij het dat zij doorgaans niet de betekenis konden vatten van een zo hoog en edel verweer tegen de toen geldende notie dat homosexualiteit ziekelijk was, en een schennis van de eerbaarheid.

Voorzichtigheid was geboden, ook voor P.C. Boutens, die deels in zijn levensonderhoud voorzag door het geven van privélessen. Het is niet eenvoudig uit de verzen die Boutens onder eigen naam heeft gepubliceerd, zijn geaardheid af te leiden. In de STROFEN, waarvan Boutens voorgaf uitsluitend de uitgever te zijn, kon hij zich een grotere vrijheid veroorloven.

Er is naar onze overtuiging nog een derde reden denkbaar. Zouden de grotere vrijheid, en het schuldgevoel op zichzelf in staat zijn geweest P.C. Boutens te inspireren tot zijn beste werk? Wij vermoeden dat de kunstenaar besefte dat deze dramatische confrontatie, waardoor hij zich volkomen liet overrompelen, een belangrijke artistieke kans inhield. In het TEN GELEIDE bij de bundel schreef Boutens: "Voor een diepere onpartijdige waardebepaling staan de verzen mij voorhands te na. Is het ook omdat ik aan hun bestaan een der beste en onvergetelijkste ontmoetingen in mijn leven te danken heb?" Wij weten nu dat deze uitspraak niet op waarheid berust, aangezien Boutens Van Drooge nooit heeft ontmoet. Onthullend is echter dat deze gemiste kans op een ontmoeting zo belangrijk is geweest voor de dichter Boutens. De verwerking van deze ervaring bood hem de mogelijkheid om de hoogste top van zijn dichterlijk kunnen te bereiken. Eindelijk kon Boutens die verzen schrijven waartoe hij geroepen was.

Zo is het hem gelukt om Jan Samuel van Drooge tot de onbegrepen martelaar te maken van een, naar Boutens verwachtte, eens voorgoed terzijde geschoven vooroordeel. Boutens wist dat hij dit zelf niet meer zou beleven. Het lot van de verstoten homosexueel, door zijn naasten niet aanvaard, en alleen door de minste van zijn gevoelsgenoten onmiddellijk herkend en ingelijfd, is nooit mooier verwoord dan in de NEGENDE STROFE:

Daar is niet één die eenzaam gaat als ik,
en geen der andren draagt zijn hartsgeheim-
dit donker zaad dat zwelt naar lichten bloei,
dit stomme leed dat hijgt naar luid geluk-
in zulk een klem van onverbreekbaar zwijgen.
Want als een kind, in vroegste jeugd verdoold
naar een ver land, moeder en moedertaal
alleen nog weet als felbewust gemis,
ergens achter den bleeken horizon
een lang verloren onbereikbren schat;
en als zijn hart in druk van smart of vreugd
zich uit moet spreken aan een ander hart,
keert het vreemd woord in ledige echo weder,
ijdel en dood zoodra zijn mond het sprak-:
zó, waar ik door de lichte volten dwaal
van dit ontelbaar levendschoone volk,
't wenken van de overzij der dubble stilte
oogen alzijds mijn oogen als gelijken,
en mijn hart bonst in luideloozen zang;
maar als mijn schuwe groet hun nadertreedt,
en van hun lippen ruischt het helder antwoord,
dan voel ik hoe ik nimmer halen zal
den simplen aanslag van dien heemschen toon,
en 't teedre lied blijft op mijn lippen stom...
En andren onderwijl, als duistre schimmen,
met oogen achter schaduwmom versmeuld,
sluipen en duiken door het dichtst gewoel,
en vaak benadert mij hun half gebaar
als een dof grijnzen: 'gij zijt één van ons'-
en van hun lippen valt een heesch gefluister,
een taal waarin geen schepsel zingen kan,
maar waarvan iedre klank mijn hart doorpriemt
en ieder woord mijn diepste wezen schokt,
en tranen wellen, die mijn oogen branden...
O daar is geen die eenzaam gaat als ik!