Home

Berlijn

door Johan Polak & Frans Goddijn
ATHENE AAN DE SPREE, de neergang van een wereldstad.

Waar zijn de leiders? Waar hun kliek,
in 't baantjes-jagen schor gesmoesd?
Vaan, leus, estrade? Waar 't publiek
dat schreeuwen, stampen, stemmen moest?
Fanfare, trom, partij-muziek
en is het al voor eeuwig koest?

(Uit: 'Ballade' door F. Schmidt-Degener)

Wie de naam uitspreekt van de stad Berlijn verwijst daarmee naar een aaneenschakeling van kleurrijke gebeurtenissen, even opwindend en schitterend als - tenslotte - donker en destructief. Ruim een eeuw fascinerende geschiedenis. Twee nederzettingen aan de rivier de Spree, Berlin en Cäln, hadden rond 1450 onderling zulke problemen, dat de keurvorst Friedrich II von Hohenzollern als scheidsrechter werd binnengehaald. De animositeit tussen twee delen Berlijn is niet alleen van deze tijd. Integendeel, Berlijn heeft er zijn vroegste bestaan aan te danken! De keurvorst vestigde zich als onderdrukker en heerser.

Hij dwong de twee kampen tesamen tot één gemeenschap, en bouwde er zijn slot. In de daarop volgende eeuwen profiteerde de stad van het stijgend aanzien van haar vorstenhuis. In 1701 werd de keurvorst zelfs koning van het Pruisisch rijk, en kreeg zijn residentie de naam Berlijn. Het twintigste-eeuwse paleis, met daarin resten van alle voorgaande slotbouwers, was een optelsom in steen van deze lange geschiedenis. Het is pas na de oorlog vernietigd. In 1871 wordt midden in het door Pruisen verslagen Frankrijk, in Versailles, het Duitse keizerrijk uitgeroepen. Met grote tegenzin aanvaardt Wilhelm I de Caesarentitel. Berlijn was, na de militaire successen van de voorgaande decennia, geleidelijk aan het centrum van Pruisen geworden en de ontwikkeling van Berlijn tot hoofdstad van het nieuwe rijk werd zo vrijwel onontkoombaar. Zonder slag of stoot ging het zeker niet: München, Frankfurt, Keulen en Hamburg bleven gewichtige concurrenten. Maar met een stedelijke bevolking van vier miljoen werd Berlijn in de twintiger jaren geteld tot het handjevol metropolen in de wereld.

Wat de ontwikkeling van de schone kunsten betreft, is het de vraag of München het in het eerste decennium van de twintigste eeuw niet van Berlijn heeft gewonnen. Rainer Maria Rilke, de dichter van het interbellum (de jaren tussen WO I en WO II), verkoos München, Leipzig en Parijs. "In Berlijn," zo zei hij, "mis je het gezelschap dat je zoekt en ben je gedwongen met de mensen op te trekken, naar wie je niet verlangt". Thomas Mann, Stefan George en Karl Wolfskehl waren ook zelden in Berlijn.

Franz Kafka echter hield zich enige malen een tijd in de stad op, zich voor een ogenblik losmakend van het geheimzinnige, duistere Praag. Kennelijk voelde lang niet iedereen sympathie voor de "parvenu onder de Duitse steden", vrij plotseling opgekomen uit het Pruisische koninkrijk. Keizer Wilhelm I kreeg in deze stad twee aanslagen op zijn leven te verduren en kanselier Bismarck voelde zo'n uitgesproken antipathie tegen Berlijn, dat hij er niet eens een eigen huis wilde hebben. Belangrijke gasten ontving hij doorgaans in een geïmproviseerd werkvertrek, slordig, vol stapels paperassen, of in een wat meer comfortabel hotel. Toch waren de keizer en de kanselier vastbesloten van Berlijn een wereldstad te maken. Zij hadden daartoe de macht die hoorde bij een tijdperk dat zeer vlug voorbij zou zijn. Captains of industry rezen binnen enkele jaren als maatschappelijke kracht boven de oude adel uit, en de onafzienbare mensenstroom die door een "boomtown" wordt aangezogen, bleek voor de regering niet langer beheersbaar.

In Berlijn doet zich voor de eerste maal de problematiek voor die nu aan de orde van de dag is in alle dichtbevolkte steden van de wereld: overbevolking en gebrek aan redelijke behuizing. Ongetwijfeld levert het besturen van mudvolle steden als Lagos, Calcutta of Mexico veel grotere vraagstukken op dan het onder controle houden van Berlijn aan het begin van deze eeuw, maar het verschil is relatief.

Simmons, correspondent achter het ijzeren gordijn voor The Guardian, behandelt in zijn boek BERLIN, THE DISPOSSESSED CITY de politieke ontwikkelingen parallel met die van de architectuur van de stad. Je zou kunnen zeggen dat niet de mens, maar de behuizing in zijn boek de hoofdrol speelt. Voor de leek op het gebied van de bouwkunst raken andere aspecten van de geschiedenis bedolven onder de lawine van verwijzingen naar gebouwen. Simmons is zelf geen architect. Architecten die over het Berlijnse fenomeen hebben geschreven in het vakblad WONEN/TABK, lieten opmerkelijk genoeg meer ruimte aan de gebeurtenissen buiten hun vakgebied. De gebouwen, in een wirwar van stijlen opgetrokken, vormen een neerslag in steen en beton van de dolle staatkundige verhoudingen. Als hoofdstad van het Keizerrijk, en later als cultureel centrum in de republiek van Weimar werd Berlijn gekenmerkt door een ongeremde groei-ambitie.

Deze steeds aanwassende stroom bouw- en sloopplannen oefende grote aantrekkingskracht uit op architecten. Voor hen is Berlijn onder elk bewind een droomstad. Ouderwetse gebouwen werden radicaal gesloopt en op de kaalgeslagen grond werd volgens de laatste mode gebouwd om Parijs naar de kroon te steken.

Onder Hitler verging het Berlijn, als eerste stad in het duizendjarig rijk, niet anders. Ook hij was enerzijd bezeten van een niet te stuiten bouw-woede, anderzijds van een ongeremde vernietigingsdrang. Wie, die daar bij is geweest, zal ooit het gekrijs vergeten waarmee Hitler aankondigde dat hij de steden van de tegenstander zou "ausradieren", met die langgerekte nadruk op de i-klank van dat vreselijke woord.

Simmons geeft een filmisch beeld van de bewogen eeuw, van Bismarck tot Ulbricht. Hij gaat er echter van uit dat de lezer de grote lijnen al kent. Zijn hoofdstukken resumeren de gebeurtenissen met weglating van soms essentiële details. Hij noemt bijvoorbeeld de woede van de Führer als Jesse Owens vier maal goud wint op "zijn" Olympische Spelen, maar hij vergeet de reden te geven: Owens was een zwarte sportman. Terwijl Simmons vele gebouwen minutieus beschrijft, en nader ingaat op hun ontstaan, blijft de herkomst van vele personages, waaronder architecten, voor de lezer een raadsel.

Weinigen zijn op de hoogte van alle dramatische gebeurtenissen, die zich tussen 1915 en 1965 in en rond Berlijn hebben afgespeeld. Om een paar flarden te noemen: de eerste wereldoorlog, honger, revolutie, abdikatie van keizer Wilhelm II, de laffe moorden kort daarna op de linkse leiders Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht, de onvoorstelbare inflatie van de twintiger jaren (geld om een brood te kopen paste aanvankelijk met moeite in een beurs, maar moest later met de kruiwagen worden aangereden...), de opkomst van de filmkunst door de pioniersarbeid van Ernst Lubitsch en Fritz Lang. Berlijn als centrum van klassieke studies, van medisch onderzoek, van ontdekkingen op het gebied van de wis- en natuurkunde.

Namen te over: Diels, Wilamowitz, Norden. Ehrlich, de ontdekker van het eerste medicijn tegen syfilis. Einstein, en Planck. Hitler betreedt het politieke toneel en wordt, juist als het de nazi's minder voor de wind gaat (de partij was bijna failliet), door de kindse Hindenburg tot kanselier benoemd. De uittocht van artiesten en intellectuelen, de boekverbrandingen, luid toegejuicht door studenten en hoogleraren ("In Fetzen die geile Satansbibel, das alte Testament", en daar bovenop in de vlammen de werken van de dichter Heine, van Freud, Hirschfeld, Stefan en Arnold Zweig, Alfred Döblin, Georg Hermann en zovele anderen), de bouw en het opengaan van de eerste concentratiekampen, de Neurenberger rassenwetten, verscherpte propaganda tegen de Joden, de Reichskristallnacht in 1938 (alle synagoges van Berlijn in de as gelegd, een vernielzuchtig novum dat zijn weerga in de hele geschiedenis van antisemitisme en Jodendom niet had gekend), het uitbreken van de tweede wereldoorlog, capitulatie.

Na de oorlog: Stalin sluit West-Berlijn af van alle verkeer. Amerika reageert met een luchtbrug. Chroetsjov 'eist' dat West-Berlijn een vrije, gedemilitariseerde stad wordt - kan het verbazing wekken, dat een gedicht van Kaváfis van 1898, getiteld "wachtende op de barbaren" toen voor het eerst opzien baarde en een gevoel van herkenning teweeg bracht?

- Waar wachten wij op, verzameld op het marktplein?
- De barbaren zullen vandaag moeten komen.

In 1961 wordt de beruchte muur gebouwd. Rudi Dutschke leidt het studentenprotest tegen de duitse vaders van het Wirtschaftswunder. Wie herinnert zich dit alles nog? Niettemin hebben verschillende van deze gebeurtenissen bijna tot een derde wereldoorlog geleid... Michael Simmons geeft een somber en, wat de schone kunsten betreft, een te sober relaas. Een zestien jaar eerder verschenen boek van Otto Friedrich, getiteld "BEFORE THE DELUGE" vormt een onmisbare aanvulling hierop: "Marlene Dietrich, Albert Einstein, Vladimir Nabokov, Adolf Hitler, Greta Garbo, Vladimir Horowitz, Joseph Goebbels, Bertold Brecht, Arthur Koestler, Paul Klee, Kurt Weill and Lotte Lenya, Ilya Ehrenburg, Walter Gropius... Dit is slechts een klein deel van het gezelschap dat het Berlijn van de twintiger jaren maakte tot een van de uitzonderlijkste fenomenen in dit land", aldus Friedrich.

Zoveel groten van deze eeuw woonden tesamen in deze stad, vaak zonder elkaar te kennen. Nabokov bijvoorbeeld leefde als Russische vluchteling in een on-Duitse, eigen wereld binnen Berlijn, net als vele andere landgenoten die woonden in een wijk waar men geen Duits hoorde spreken. De gouden jaren twintig bleven voortleven in het hart van de vluchtelingen, maar die tijd kende ook honderden politieke moorden per jaar, straatgevechten, massale prostitutie uit armoede, speculatie en een meedogenloos, nauwelijks bestreden optreden van de ge-uniformeerde bruinhemden.

Berlijn met uitgestrekte parken en brede alleeën. De binnenwateren lokten alle soorten vogels stadinwaarts. Door deze straten heeft de essayist Walter Benjamin gedwaald en de aanblik bracht hem op de gedachte van het belang van de overkapte winkelstraten in het negentiende-eeuwse Parijs. Zo was hij in staat drie opstellen van hoog wetenschappelijk gehalte te schrijven over Charles Baudelaire, de dichter van de grote stad.

Als Jood en marxist moest ook Benjamin de stad Berlijn in een overhaaste vlucht verlaten. Hij vestigde zich tijdelijk in Parijs, maar bij een poging naar Spanje te ontkomen bleek die dag de grens gesloten. Zijn zelfmoord betekende een zoenoffer, de andere leden van het vluchtende gezelschap werden de volgende ochtend alsnog toegelaten. Het lot van Walter Benjamin is exemplarisch voor het lot van allen die uit hun twintigste eeuwse Athene zijn verjaagd of zijn omgekomen in de concentratiekampen.

Moest het Berlijn van de twintiger jaren behouden blijven? Zo zien de geleerden en belangstellenden het nu, in 1933 echter dacht de bevolking van Duitsland er merendeels heel anders over. Eindelijk was er een regering aan de macht gekomen, die wist wat zij wilde, die afrekende met communisten. pacifisten, homosexuelen, Joden en ander lastig tuig. Berlijn veranderde op slag.

Ook Hitler hield niet van die stad en verbleef er zelden. Hij droomde van een nieuwe stad, die GERMANIA zou heten. Geholpen door zijn architect Speer zijn vele bouwwerken op de tekentafel tot stand gekomen, sommige ook uitgevoerd. Niet steeds tot genoegen van de tot zwijgen gedwongen bevolking overigens, want er heerste permanente woningnood...

Ontsnapt aan hun beulen, vestigden de Berlijners die het geluk hadden gehad te ontkomen en in Amerika te worden toegelaten, zich voor een deel in New York. Daar vroeg een emigrant aan een kennis, die hij toevallig op straat tegenkwam, of hij ook zo terugverlangde naar Berlijn. "Waarom," was het verbaasde antwoord, "ik ben toch geen Jood?" Zo werd de arme Duitser die in New York bedroefd op zijn dood zat te wachten tot tranen toe geroerd door het fluiten van de eerste maten van de Driestuiveropera van Bert Brecht en Kurt Weill...

BEROLINA noemt Anthony Heilbut het eerste hoofdstuk van zijn buitengewoon gedegen boek EXILED IN PARADISE (New York 1983). Deze latijnse benaming van de stad Berlijn omvat, althans tijdelijk, het gehele complex van cultuur en cultuurkritiek, dat uit Berlijn is overgeplant naar de Verenigde Staten, en in die zin horen daartoe zowel Thomas Mann, die uit München is gevlucht, de aanhangers van de Franfurter Schule (Horkheimer en Adorno), als de leden van Bauhaus. De uit Berlijn gevluchte intellectuelen stichtten in New York een eigen Berlijn, en al hebben niet alle emigranten zich in New York gevestigd, de impulsen die van deze vluchtelingen zijn uitgegaan herinneren aan de Griekse oudheid.

Pas onder Alexander de Grote werd de Griekse statenbond, waarvan Athene deel uitmaakte, uitgebouwd. Doordat een uitzaaiing van gedachtengoed plaats vond, beleefde de Helleense cultuur haar uiteindelijke verwezenlijking in Alexandrië, het culturele middelpunt van de Hellenistische wereld, na de ondergang van de Helleense. Nu zijn het New York, en de universiteit van Princeton, die de verdere groei van wat in Berlijn bedacht werd, hebben mogelijk gemaakt: Hannah Arendt, Erwin Panowski, Kurt Weill, Thomas Mann, Arnold Schönberg, en talloze anderen. Zij zijn het, die de Duitse cultuur, overgeplant op vreemde bodem in stand hebben gehouden, en toen de oorlog voorbij was, met hun werk de Europese universiteiten opnieuw wisten te beïnvloeden.

Hierbij vergeleken is de bombast van "Berlijn-Culturele Hoofdstad Van Europa", die dit jaar alle kranten en weekbladen bereikt, een treurige farce. Vorig jaar nog werd het 750-jarig bestaan van Berlijn met pracht en praal gevierd. Het betekende alleen dat vijftig jaar tevoren in opdracht van de Führer een papiertje werd gevonden dat aanleiding moest wezen voor een groots feest - in dit geval een 700-jarig bestaan. Het élan en de pracht waren enkele weken na de komst van Hitler reeds gedoofd en tijdens de oorlog definitief in roet en as ten onder gegaan.

Simmons' onderwerp boeit, zijn boek valt tegen.

BERLIN / The Dispossessed City
Michael Simmons
Hamish Hamilton 1988
hfl 64.30

BEFORE THE DELUGE / a portrait of Berlin in the 1920's
Otto Friedrich New York 1972
(In het Nederlands vertaald door: C. E. van Amerongen-van Straten/ VOOR DE ZONDVLOED / Berlijn in de jaren Twintig, Baarn 1978

WONEN/TABK / tweewekelijks tijdschrift, 6/7 1984, 24 1984, 23/24 1985

EXILED IN PRADISE / Anthony Heilbut (New York 1983)