Home

Ara

door Johan Polak & Frans Goddijn
De eerste zomerdag van het jaar besloot met gouden avondschemer. Ik had een knetterende hoofdpijn en was te warm gekleed. Toen ik in mijn nette pak, met zware rugzak de stampvolle trein binnenstapte, werd ik vriendelijk uitgelachen door meisjes die op de vloer van het treinbalkon lagen uitgestrekt. Toen ik me net op een vrije plaats had geïnstalleerd, werd er omgeroepen dat een vertraagde internationale trein niet meer zou aankomen, terwijl over enkele ogenblikken een vervangend treinstel zou arriveren om onmiddellijk weer te vertrekken. Met die trein zou ik tijdwinst kunnen boeken. Ik pakte mijn spullen en dook de trein uit. Een keten wagons stond klaar, aangevoerd door een walmende locomotief. De twee conducteurs die een eigen ruimte hadden ingericht, hoefden mijn kaartje niet te zien: zij gunden mij en drie andere passagiers graag een kosteloze rit. Mijn coupé, nog geurend naar reizigers die er hadden geslapen, was donker en op de bank lagen hoofdkussentjes. Ik ging gemakkelijk zitten en genoot van de lome rust. In Utrecht stonden we enkele ogenblikken stil, een paar deuren klapten open en dicht. Tegenover mij streek een opvallend tweetal neer: een duits meisje, dat in vrij goed nederlands vroeg of ze bij me kon komen zitten. Zij legde haar benen op de bank en uit een grijze boodschappentas, die ze openritste, haalde ze een grote geel-blauwe vogel. Deze liep even waggelend als een gans over de bank heen en weer. Hij bekeek mij, testte met zijn kromme inktzwarte snavel de bekleding van de leuningen en kroop op schoot bij zijn bazin. Daar gaapte hij, keek me nog even aan en zakte toen tegen haar borst in slaap. Ik vroeg haar wat voor een vogel het was. Gereserveerd, maar zelfbewust antwoordde het meisje, in prachtig geformuleerd nederlands met toch een onmiskenbaar duits accent, dat haar jonge beschermeling een Ara was, zes weken oud. Ze toonde een foto van de ara als pasgeborene, net uit het ei, een kleurige maar halfkaal geplukte kip. Af en toe stapte de Ara van haar schoot, om rond te lopen, mij streng aan te kijken en een hoopje te doen. De trein leek met de snelheid van het licht te reizen en toen we in Amsterdam aankwamen, was mijn hoofdpijn verdwenen. De Ara voelde dat hij weer in de tas moest, spreidde loom de vleugels, een weids en imponerend gebaar. Het meisje lachte: 'Hij kan nog niet eens vliegen!', vouwde haar handen tot een kom om zijn lijf, dat ze voorzichtig in de tas liet zakken. De rits ging dicht, maar het kopje stak eruit.

Het meisje groette mij en zei 'De Ara heeft U goed verdragen.' Knabbelend aan de sluiting werd de Ara over het perron weggedragen.