Home

ABN

door Johan Polak & Frans Goddijn
Het is vijf voor negen, maar in de glazen pui van de bank wijst de gespiegelde stationsklok vijf minuten voor drie aan. Ongeduldig kijk ik naar de wijzers die traag achteruit draaien, tot het drie uur zal zijn - negen uur in werkelijkheid. Toen ikzelf in de winkel stond, had ik steevast een hekel aan de eerste klant. Prettig zijn de eerste ogenblikken, wanneer de pas geopende deur frisse lucht binnenlaat die zich mengt met de prikkelende geur van verse koffie. Het ochtendhumeur is verdreven, de eerste klusjes zijn gedaan. In die paar minuten kan een stemming opkomen of een zwijgende verstandhouding die de hele dag zal dragen. Als het hoofdkantoor belt om te controleren, kunnen wij ons triomfantelijk aanwezig melden.

De deuren van de bank gaan open, want de bankdirectrice blijkt bereid mij bij uitzondering vóór negen uur binnen te laten. Voor anderen gaat de deur weer op slot, een discriminatie waardoor ik mij extra vereerd voel. "Maar ik ben een heel kleine klant voor U!", roep ik verbaasd uit. Ik weet dat banken, in tegenstelling tot girokantoren, voor grote klanten weleens een hoffelijk gebaar maken. Een vermogende kennis treft in zijn bank altijd een loket open zodra hij het filiaal betreedt. Deze man is een beminnelijk vaderfiguur met talloze kwinkslagen, waardoor zijn voorkeursbehandeling nooit kwaad bloed zet. Het personeel geniet van zijn komst en de overige bezoekers kijken geamuseerd naar de vrolijke vertoning. Hoewel ik nooit zijn prestige zal bereiken, geniet ik vandaag een VIP-treatment. "Voor ons zijn alle klanten groot!", antwoordt de gastvrije bankdirectrice, die een van de meisjes achter de balie wenkt om haar koffie te laten staan.

Ik verontschuldig mij en vraag of zij mij niet haat, nu haar koffie koud wordt. Ze antwoordt diplomatiek. Ik heb haar al vaker gezien en eens vertelde ze mij dat ze al haar vrije dagen opspaart om straks een paar maanden naar Londen te gaan. Ik overhandig haar mijn bankpasje, noem het bedrag dat ik nodig heb en vraag haar of ze overeenkomst ziet tussen de bank en een methadonpost. Op elk uur van de dag zijn er mensen die een dosis geld nodig hebben om het leven aan te kunnen. Spuitomruil-automaten en methadon-doseermachines lijken toch op geldautomaten, waarvoor in het spitsuur lange rijen staan te wachten? Jammer genoeg wordt geldzucht niet gedekt door het ziekenfonds. Zo babbel ik voort. Het meisje wacht gelaten op een adempauze om te kunnen vragen in welke coupures ik mijn weekgeld wens te ontvangen. Dan stapt zij naar een ander loket, waar een tweede meisje achter kogelvrij glas de geldvoorraad beheert. Nu probeer ik ook háár te betrekken in mijn overpeinzingen. Zij glimlacht welwillend. Wanneer ik tenslotte buiten sta met mijn geld, besef ik dat dit mijn eerste en laatste VIP-behandeling is geweest. De volgende keer moet ik tot half tien wachten en krijg ik een spreekverbod voor elk verhaal waar niet uitdrukkelijk om is verzocht. De geldautomaat is uitgevonden om praatzieke cliënten zoals ik...