Home

4 mei

door Johan Polak & Frans Goddijn
Ieder jaar denkt hij eraan, hij zou het niet kùnnen vergeten. Deze ogenblikken staan in het jaar als een muur, die opdoemt en alles tot stilstand dwingt.

Stil houden op straat, of opstaan in huis en de lichten aan doen, want de tijd is daar. Hij trekt een jas aan, gaat naar buiten, om, met de rug naar het huis, te staan. De straatverlichting brandt twee minuten en de stilte wordt, vlakbij of in de verte, af en toe verscheurd door een enkeling die deze niet verdagen kan.

In Amerika, tijdens een lunch, waren zijn disgenoten verbaasd toen hij zich wilde afzonderen. Waarom houdt iemand zo strak aan een plechtigheid vast aan de andere kant van de wereld, terwijl hij niet godsdienstig is of aan vaste rituelen gebonden? Deze verplichting van een overlevende jegens de doden, een verplichting om hen niet te vergeten, kwam hun vreemd voor en komt inmiddels ook jonge Nederlanders vreemd voor. Straks is er niemand meer die zich een overlevende kan noemen, niemand die deze doden herdenkt.

- Wat denk je dan, terwijl je daar staat? Huil je"? Vraag ik.

- Ik denk aan de doden, een mij onbekende stoet mensen die zich hebben gegeven, die zijn verdwenen en elk hun geliefden hebben achtergelaten".

Hij herinnert zich met een droge snik elk jaar een paar regels van een gedicht van Baudelaire. De dichter zegt dat we de doden wat bloemen moeten brengen, want zij voelen een groot verdriet. Juist nu de oktoberwind om hun grafzerken waait, blijken de levenden ondankbaar, de doden zijn vergeten.

les morts, les pauvres morts ont de grandes douleurs,
et quand Octobres souffle, émondeur des vieux arbres
son vent mélancolique à l'entour de leurs marbres,
certe, ils doivent trouver les vivants bien ingrats.

Na deze ogenblikken verdwijnt de muur en het leven herneemt zijn tred. Het stille, open herdenken bij daglicht is voorbij, maar de doden zijn voor hem niet verdwenen. In steeds terugkerende dromen is hij op straat, wandelend door Amsterdam, als plotseling blijkt dat de trams niet meer rijden en de straten verlaten zijn. Dan komt aan de overkant een kleine familiestoet om een hoek tevoorschijn. Ze wandelen in het zonlicht, langs de gebouwen en herkennen hem aan de overkant van de rails. Ze houden even stil, maar verstaan niet wat hij roept: - laten we elkaar weer eens zien!" Ze geven geen teken. Welwillend lachen ze terug, maar lopen dan verder. Een jongen zwaait en een tweeling, meisjes, loopt mee aan de hand van hun vader.