Home

1933

door Johan Polak & Frans Goddijn
Al jaren ging het minder goed met de republiek van Weimar, de democratische staat, die in Duitsland was gesticht na het einde van de eerste wereldoorlog en het vertrek van de keizer. Het bleek dat de militaire kaste veel van zijn voorrechten had behouden en dat verschillende tegen de democratie gerichte

stromingen krachtiger werden. Links roerde zich de goed georganiseerde communistische partij, rechts een samenraapsel van ongure elementen, die jaren later de kern van de nazibeweging zouden vormen. Het is onjuist het nationaal-socialisme louter bij rechts in te delen: de beweging was populistisch - "völkisch", om in de termen van Hitler te spreken - deels zelfs radicaal links,

maar genoot geldelijke steun van rechtse industriëlen die, na de russische revolutie en de vorming van de sovjetstaat, bezorgd waren voor een soortgelijke omwenteling in eigen land. Ook de kerk had weinig bezwaren en de fel anti-joodse sentimenten van de nazipartij vielen zowel bij de protestanten als bij de katholieken in vruchtbare aarde. De dienaren van de christelijke kerken toonden veel begrip voor Hitler. De crisis van 1929 bracht het einde van de Weimar©republiek in zicht. Massale werkloosheid, waar de samenleving toen geen raad mee wist, bleek gunstig voor de ontwikkeling van het extremisme. De laatste vier "Weimar-jaren" stonden in het teken van een voortdurende politieke achteruitgang. De moord op Walther Rathenau, de minister aan wie het naoorlogse Duitsland het herstel van de industrie en het aanzien in de wereld mede te danken had - hij gold als een van de meest verlichte mannen van het land - luidde een reeks politieke moorden in die, toen Hitler eenmaal aan de macht was gekomen, op grote schaal werd voortgezet.

Philip Metcalfe heeft in zijn boek 1933 door het schetsen van de petite histoire van de nazistische omwenteling, een meedogenloos beeld gegeven van het optreden van Hitler en diens trawanten. Metcalfe beperkt zich in zijn beschrijving tot het begin van de verschrikkingen van de Hitler-tijd. De lezer weet wat erop is gevolgd. Deze methode is niet nieuw maar wel effectief. Zo beschrijft Racine in zijn treurspel BRITTANNICUS de eerste misdaad die Nero pleegde toen hij de macht

in handen kreeg. De laatste woorden van het drama zijn: "moge het de goden behagen, dat dit de laatste zijner misdaden zij". Er zouden er nog vele volgen alvorens Nero, door een slaaf geholpen, zelfmoord had gepleegd.

Kwam in 1933 het onheil zomaar uit de lucht vallen of waren er voorboden? De moderne tijd was aangebroken, telegraaf en telefoon maakte het mogelijk wereldnieuws op korte termijn te verspreiden. Bovendien had Hitler het boek Mein Kampf gepubliceerd, waarin hij onverbloemd zijn plannen onthulde. De mensheid had voorbereid kunnen zijn. Toen Attila, "de gesel Gods", in de vijfde eeuw het Romeinse rijk teisterde, was het rijk zijn nadagen al ingegaan, en toch had niemand zoiets voor mogelijk gehouden. Een van de late gedichten van Stefan George, getiteld BRAND DES TEMPELS, heeft vermoedelijk Attila als hoofdpersoon, maar zinspeelt tegelijk op een machtsgreep. In hoeverre George toen aan het nationaal-socialisme heeft gedacht, blijft onzeker, maar de woorden die de gebieder der Hunnen spreekt wanneer de prinses van het verdreven vorstengeslacht komt smeken om het behoud van de tempel, roept uitspraken van Hitler

en zijn consorten onmiddellijk in herinnering:

Ich bin gesandt mit Fackel und mit Stahl
Dass ich euch härte, nicht dass ihr mich weichet.

Hitler voelde niets voor mildheid en genade. Hij wenste dat de jeugd opnieuw staalhard zou worden en wreed, en dat het roofdier in hun blikken zou schitteren.

Metcalfe volgt een aantal mensen op hun weg door deze turbulente tijden, zoals de amerikaanse ambassadeur Dodd, diens dochter Martha, de gestapo-chef Diels, de joodse journaliste Bella Fromm en Hitlers buitenlandse perschef Hanfstaengl. Metcalfe verzint niets, maar maakt gebruik van alle beschikbare documenten om zijn personages te schetsen. Zonder al te veel commentaar roept Metcalfe dit jaar op. Een levend verleden dat hij heeft geput uit talloze kranteknipsels, telegrammen, brieven en dagboekaantekeningen, op een wijze die de lezer dwingt zich te identificeren met de hoofdpersonen. Zo wordt gestapo-chef Diels een mens van vlees en bloed, net als de anderen aan weerszijden van de scheidslijn tussen goed en kwaad: "Met zijn sinistere aantrekkelijkheid was Diels bijna een karikatuur van een chef van de geheime politie. Hij genoot intens van de dreiging die hij uitstraalde. Op een van Martha's feestjes zag hij kans

onaangekondigd het huis binnen te komen, en toen alle gesprekken in het vertrek bij zijn plotseling verschijnen abrupt verstomden, schitterden zijn ogen van genoegen. Met zijn lenige souplesse en zijn formidabel intellect deed hij sommigen aan een bengaalse tijger denken, die in een salon was losgelaten."

Martha Dodd kijkt aanvankelijk op tegen deze machtige man, die een eigen netwerk van medewerkers had opgebouwd. Later blijkt dat zij als dochter van een diplomaat veeleer hém bescherming te bieden heeft, wanneer Diels beseft dat de gruwelen, die hij zelf heeft helpen oproepen, niet langer beheersbaar zijn. Wanneer Diels weigert een omvangrijke moordoperatie te leiden, valt hij in ongenade en staat hij in doodsangst alleen. In de provincie kon hij nog af en toe op de rem trappen, maar in Berlijn en München had hij geen greep op de gevangenissen waarin mensen verdwenen. "Een slachthuis in hartje Berlijn, op nauwelijks een kilometer afstand van Duitslands grootste vliegveld, waar

ambassadeurs, filmsterren en toeristen kwamen en gingen, bijna zonder een blik om zich heen te werpen. Vanuit sommige cellen kon je de zilverkleurige vliegtuigen langzaam een hoekje blauwe lucht zien doorkruisen."

Na lezing van 1933 is het onmogelijk in eenvoudige zwart-wit termen te denken over de betrokkenen bij deze ramp. Onomstotelijk wordt aangetoond dat iedereen had kunnen weten wat er te wachten stond. Goebbels kondigde de Joden hun

vernietiging aan. Metcalfe weet dat de lezer van de afloop op de hoogte is. Met bijtende humor en understatement speelt hij zijn spel met de lezer, waardoor de spanning voelbaar wordt: "Op de sjieke Kurfürstendamm droop van bijna iedere winkel de roze verf van het woord JUDE. Aangezien de meeste van Berlijns betere

restaurants het eigendom van Joden waren, deden de bierkelders die dag uitstekende zaken. Joden en andere liberalen gingen die winter al vroeg voor vacantie naar Scandinavië en Zwitserland."

Talloze bureaucratische opportunisten stonden klaar om de wensen van de nieuwe heersers te vertalen in wetten en wettige acties. Er kwam een beroepsverbod voor niet-arische journalisten. Een ontheffing van dit verbod was mogelijk, maar niet voor Bella Fromm, "omdat zij niet arisch was!"

De buitenwereld maakte zich niet lang druk over de duitse ontwikkelingen. De amerikaanse ambassadeur Dodd was als enige diplomaat ongezouten in zijn kritiek, maar zijn regering verkoos een milde aanpak en liet verzoeken of de duitse schuld aan Amerika zo spoedig mogelijk voldaan kon worden. Vluchtelingen werden opgenomen, mits deze konden aantonen dat een baan wachtte in de vrije wereld. Zo konden de meeste vervolgden weinig anders dan berusten en hopen dat alles een kwade droom zou blijken. Het buitenland hield zich afzijdig en liet geen protesten horen toen het besluit viel het sportfeest van internationale verbroedering, de Olympische Spelen, in 1936 in Berlijn te houden. Integendeel,

opgetogen berichten deden de ronde dat het met de vervolgingen wel meeviel nu Hitler zo verstandig was geweest enige joodse organisatoren van de spelen ongemoeid te laten. Intussen waren de concentratiekampen in vol bedrijf, en waren Ehrich Mühsam en Carl von Ossietsky, twee bekende publicisten uit de Weimar-tijd, al doodgemarteld waren of op het laatste stadium van hun lijdensweg. Na 1933 neemt alles een veel grimmiger wending. Wat de meeste indruk op de duitse burgers heeft gemaakt, meer dan in het buitenland, was de interne moordpartij, "de nacht van de lange messen" geheten. In deze nacht rekende Hitler af met allen die hij rekende tot een oppositiegroep binnen de partij, welke gevormd werd door hoge bruinhemden, leden van de SA.

Een duidelijke verklaring van dit optreden is nooit gegeven en ontbreekt ook in dit boek. Was de SA meer links georiënteerd en wilde deze organisatie de revolutie voortzetten? Wilden zij bepaalde voorrechten behouden? Het blijft in nevelen gehuld en misschien zijn de gebeurtenissen niet volledig uit de doeken
gedaan omdat zich in de hoge gelederen van de SA homoseksuelen bevonden. Eén ding staat vast: na de moord op de kopstukken van de SA begon de jacht op homoseksuelen die in 1933 vrijwel niet vervolgd waren. Met deze moordpartij eindigt het spannende boek van Metcalfe. Tenslotte laat hij zien van welke hondetrouw jegens de Führer de SA-mannen bezeten waren, toen verschillende van hun leiders reeds de dood hadden gevonden. Metcalfes boek stemt bitter en roept vergelijkingen op met gebeurtenissen in het recente verleden, zoals in Iran en China.