Home

Ontzamelen

15 mei 2003


Twintig jaar geleden ontdekte ik de vulpen. Dat wil zeggen, vulpennen waren er al, maar ik “zag” ze ineens. Veel mensen, vooral ouderen, hadden ergens in huis een vulpen liggen, defect, de inkt binnenin verdroogd. Een lang geleden voor het laatst gebruikt voorwerp dat nooit was weggegooid. Het bleef liggen op een bureau, in de lade van een dressoir. Ach, het was er al zo lang, het lag niet in de weg, zou misschien best nog eens gerepareerd kunnen worden. Een vulpen als souvenir van een verleden tijd. Wat was ermee geschreven: boodschappenlijstjes, sollicitaties, liefdesbrieven.

Soms zag ik een vulpen in de etalage van rommelwinkels. “Hij is kapot, maar er zit een gouden pennetje aan, 14 meneer,” en voor een tientje kon ik 'm meenemen. Even omspoelen in een glas water en hij schreef weer. Dan had ik er een pen bij, een van veertig, vijftig jaar oud, met een heel leven achter zich. Een vergeten leven, want wie had 'm ooit gekocht, wie was hem kwijtgeraakt? Was de eigenaar overleden?

Vrienden en familie hoorden dat ik er een hobby bij had. Ik verzamelde pennen, zo leek het, en inderdaad, ik had er een handvol en kreeg er dus meer. Dat gaat vanzelf. Je ontwikkelt er oog voor, je leest erover, je ziet ze liggen en je krijgt ze mee. Maar is dat verzamelen? Voor mij was het vaak meer een reddingsoperatie. Hoe konden die prachtige, bescheiden pennen over het hoofd worden gezien? Die donker gevlamde sigaarvormige pennen, gemarmerd soms, die langzaamaan hun glans hadden verloren doordat ze niet meer dagelijks werden meegedragen. De dochter van een Arnhemse huisarts gaf me de Pelikan van haar vader. Tientallen jaren had hij er de onleesbare recepten voor zijn patiënten mee geschreven, nu was hij met pensioen, zijn pen gaf hij aan zijn dochter en wat moest die daar nu mee? Aan een verzamelaar geven.

Hier en daar sloten oude kantoorboekhandels de deuren. Kasboeken, schriften, prikkers voor bestelbonnen, oude nietmachines en een berg onverkochte oude pennen werden uitverkocht in winkels die roken naar oud papier. Voor een prikje kocht ik een doos vol pennen die kort na de oorlog waren geproduceerd maar die nog nooit een eigenaar hadden gekend. Of waren teruggebracht omdat ze haperden, achteloos in een doos gelegd om later eens naar te kijken. Daar was het nooit van gekomen. Weg ermee, in de allerlaatste opruiming.

Intussen werden er meer verzamelaars wakker. Er verschenen artikelen over antieke vulpennen en de grote merken brachten replica's uit van hun klassieke modellen. Oude pennen werden duur. Intussen verzamelde ik ze niet meer in mijn eentje, maar was het een passie geworden waar ik samen met een vriend van genoot. Op reis in Londen vonden we een oude pennenwinkel, een schatkamer van tienduizenden vulpennen en onderdelen. Peperduur, maar prachtig. Onze verzameling groeide opnieuw.

Het verbaasde me toen mijn vriend, een uitgever, de vulpen van zijn overleden moeder weggaf aan een jonge schrijver die naar Zwitserland emigreerde. Wij verzamelden ze toch? Zo'n mooie pen! Later begreep ik het pas. De pen van zijn moeder had jaren op zijn bureau gestaan in een eeuwenoud stenen bekertje. Een bijzondere plaats. Tussen de honderden vulpennen van onze collectie zou de pen verloren zijn geraakt, nu werd de pen een dierbaar afscheidsgeschenk.

Toen mijn vriend overleed, verloor ik ook het plezier in de collectie. Wat een verloren moeite. Een uitstalkast vol pennen die hun verhaal kwijt zijn. Honderden pennen gered, maar een verzamelaar verloren.

Sindsdien ontzamel ik. Als er een vriend op bezoek is die de pennenkast mooi vindt, dan mag hij een pen uitzoeken. Of twee. Maar geen drie, want dan wordt het een verzameling.

(Tekst voor expositie Dingenliefde in Velp, die uitmondde in een expositie in het Arnhemse Openluchtmuseum, 2006, waarvoor ook een korte film werd gemaakt. Deze pagina is ook als PDF beschikbaar. )